Stilleven met jonge prei

Jozef De Wolf (C Louis De Wolf)Krachtig knijpt zijn rechterhand rond de onderkant van de stengel. Ferm trekt hij het onzichtbare stuk uit de grond. In één ruk heeft hij hem in zijn hand: de eerste prei van het seizoen. Naar dit moment kijkt hij uit. Elk jaar opnieuw. Zolang hij in de stad woont, nu toch al zo’n vijftig jaar.

Vanwaar die fascinatie voor jonge prei? Hij weet het niet. Komt het doordat Moeder de Vrouw er heerlijke soep van maakte? De laatste keer zo’n vijftien jaar geleden. Of omdat het de eerste groente was die hij als broekventje kweekte? Of gewoon omdat je niet veel van de boerenstiel moet kennen om prei te kweken? Zoals zijn vader verkondigde aan iedereen die het horen wilde.

De prei die hij vandaag in zijn handen houdt is perfect: de pluizige worteltjes als verloren spinnenpoten, daarboven een witte stengel, twintig centimeter lang,  een duim dik – niet meer, niet minder – dan evenveel fris groene bladeren die uitwaaieren in laagjes als een petticoat. Zoals in de jaren vijftig mode was. Mooi om te zien, prikkelend om aan te raken als je de rokken laagje voor laagje verwijdert.

De grond waarin hij wroet, is niet van hem. Hij pacht zijn honderd vierkante meter – naast de altijd voortrazende rijksweg van de stad. Al heel lang. Van toen hij naar de stad trok om in de haven te werken. Daar was werk voor iedereen die wilde werken. En hij wilde werken, hoe meer hoe liever.

Zijn hofke is zijn vrijplaats. Zijn thuishaven toen hij pas de polders ontvlucht was, een beetje zand om het gemis te verzachten en een rustplaats om het hectische en lawaaierige gezin even achter zich te laten. Bovendien een stukje vruchtbare grond om de extra monden te voeden. Daarna een troost om het alsmaar legere nest te aanvaarden. Sinds zijn pensioen een nuttig tijdverdrijf waarbij hij zijn vrouw niet voor de voeten liep. En het nageslacht is maar wat blij met zijn ‘bio-producten’.

Vandaag is het een gedenkplaats nu hij een fractie van Moeder heeft vermengd onder de toch al vruchtbare grond van zijn stadstuintje. Eigenlijk mocht het niet van Meneer de Begrafenisondernemer: de as van zijn vrouw moest in een pot in de grond begraven of in een muur gemetseld of uitgestrooid worden op de strooiweide. Dat ze veel gelukkiger was in het stadstuintje van tien meter op tien meter dan op het uitgestrekte kerkhof, was volgens de ambtenaar van dienst geen reden om de regels te omzeilen. Ruzie maken had geen zin, dat wist hij wel, regels zijn er immers om nageleefd te worden. Maar toch had hij de kans gezien om een beetje van zijn vrouw zaliger in zijn zakdoek over te hevelen. Een paar dagen had hij met die volle zakdoek rondgelopen. Tot alle heisa voorbij was en hij naar zijn tuin kon. Hij  zocht een schoon plekje uit: daar waar de ochtendzon hem groette en de afrikaantjes welig tierden. En waar nu de prei volgroeid is.

Doorheen de jaren zijn de buren gekomen en gegaan. Eerst waren het allemaal mannen van den buiten die hun geluk in de stad en de haven kwamen zoeken maar toch met hun handen nog in de grond wilden wroeten omdat ze het gewoon waren. Daarna kwamen de mannen met volle snorren, hun vrouwen met een doekske op het hoofd en met een hele resem kinderen. Toen waren er die jonge gasten en meiskes met sandalen aan hun voeten en kameelharen jassen rond de schouders. Die hem vertelden dat hij geen vergif mocht spuiten, maar dat hij hemelbeestjes moest zoeken om de bladluizen uit zijn hof te verjagen. Alsof zij hem iets konden leren.

Nu zijn er weer nieuwe tuinders: van die schoon madammekes in bollekeskleedjes met diepe decolletés en bijpassende botten en schorten. Ze hebben hem al eens gevraagd of hij een glas wijn kwam drinken. Van die bubbeltjeswijn in hoge glazen. Maar hij bedankte. Hij vindt het toch maar niets, drinken in uwen hof. Achtereen drinkt ge overal en voor eender wat.

Hij trekt verder de jonge preistengels uit hun bedje en schikt ze in de rieten mand van Moeder. Als het stukje land leeg is, harkt hij de losgewoelde aarde aan, maakt de hark schoon met een versleten doek, vet ze in met een restje olie en zet het propere gereedschap in het tuinhuis met het dak van cementen golfplaat.

Hij bindt de mand met versleten fietsbanden op de bagagedrager aan zijn stuur. Hij werpt zijn oude been achterom – ongelooflijk hoe kwiek hij dat nog doet – en ploft met zijn achterwerk in blauwe kiel op het zadel van zijn vooroorlogse fiets. De meisjes met diepe decolletés, de mannen met snorren, de vrouwen met het doekske op hun hoofd en een resem kinderen wuiven hem na. Morgen staat hij er weer.

Bij het verlaten van de stadstuintjeswijk slaat hij de hoek om, huiswaarts. Zo’n kilometer verderop is de plaats waar al meer dan een halve eeuw zijn tafel en bed staat, waar zijn kinderen zijn opgegroeid, zijn vrouw is gestorven. Waar hij zich nooit thuis voelde.
Hij rijdt zijn straat in, de voorbijrazende auto’s achter zich latend. In zijn hoofd overschouwt hij de dag. Hij is Onze-Lieve-Heer dankbaar voor de oogst vandaag. De kinderen zullen er blij mee zijn als ze zondag binnenspringen.

Een paar meter voor zijn huis moet hij uitwijken voor een gehaaste auto. Zijn pedaal schampt langs de borduur. Hij wankelt, verliest het evenwicht, valt en botst met zijn hoofd op de kinderkopjes. Het gaat allemaal snel. Bloed op zijn slaap. Een zucht uit zijn mond. De jonge prei ligt verspreid rond zijn hoofd.

Advertenties

One thought on “Stilleven met jonge prei

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s