Een jurk voor elke dag

© Monica Carro Muiño

© Monica Carro Muiño

Ze heeft er voor gespaard. Elke week vier euro opzij gelegd van haar zakgeld. Vijfentwintig weken lang. Bijna een half jaar. Vandaag heeft ze genoeg geld bij elkaar om het te kopen. Gisteren heeft moemoe de laatste ontbrekende euro’s, toch zo’n 30, in haar handen gedrukt. Zonder dat iemand het zag. Ze fluisterde bij het afscheid in haar oor: “Niet meer twijfelen” en drukte een natte prikzoen op haar wang.

Vijfentwintig weken geleden was het liefde op het eerste gezicht. Ze slenterde door de nog niet door toeristen ontdekte straatjes van de stad om de verveling van de dag uit haar lijf wandelen en de gedachten uit haar hoofd te bannen: de slechte toets, de BFF’s die constant aandacht willen, de jongen met de zwarte krullen die ze elke dag met de fiets kruist op weg naar school. Maar nog het meest het gekissebis van haar moeder en het gehakketak van haar vader. Wat maken die het leven moeilijk! Zou zij ook zo volwassen worden: elke dag met tegenzin de deur uit, acht uur het beste van jezelf geven op een rotjob met mensen die je eigenlijk niet leuk vindt, thuiskomen en beginnen zeuren tegen de eerste die je voor de voeten loopt, je kinderen routineus voederen, aandacht geven volgens de boekjes en op een pedagogisch verantwoord uur in bed stoppen… om daarna uitgezakt voor de tv in slaap te vallen?

Zij zal het anders doen. En ze weet al hoe. Hét geheim zit in je kleerkast: draag alleen kleren waar je blij van wordt. Niks functioneels. Of iets wat iedereen koopt omdat het ‘nu eenmaal mode is’. Of een uniform. Of, oh gruwel, kleren die je draagt alleen omdat ze ‘lekker zitten’. Zoals de broeken met een elastiek in de taille van haar moeder. Vijfen-twintig weken geleden speelden deze gedachten haasje over in haar hoofd toen ze in het uitstalraam van een klein winkeltje keek. En de jurk van haar dromen zag: wit satijn, een zweem van blauwe bloemen, touwtjesknopen, hoog gesloten hals.

Vandaag is het zover. Gewapend met 130 euro fietst ze door de stad. Naar het ontdekte winkeltje. De deurbel klingelt. De Chinese dame achter de toonbank lacht als ze haar herkent.

“Is het je gelukt?” vraagt ze met een zachte krul in haar stem. Ze knikt. Het dametje haalt een grote platte doos van onder de toonbank en opent ze. Daar tussen paars vloeipapier ligt de droom van satijn. Klaar om van haar te worden.

“Het is een echte feestjurk” zegt het dametje, wanneer ze de jurk uit de doos neemt.

“Nee”, lacht ze , “Het is een jurk voor élke dag.”

Advertenties

Stilleven met jonge prei

Jozef De Wolf (C Louis De Wolf)Krachtig knijpt zijn rechterhand rond de onderkant van de stengel. Ferm trekt hij het onzichtbare stuk uit de grond. In één ruk heeft hij hem in zijn hand: de eerste prei van het seizoen. Naar dit moment kijkt hij uit. Elk jaar opnieuw. Zolang hij in de stad woont, nu toch al zo’n vijftig jaar.

Vanwaar die fascinatie voor jonge prei? Hij weet het niet. Komt het doordat Moeder de Vrouw er heerlijke soep van maakte? De laatste keer zo’n vijftien jaar geleden. Of omdat het de eerste groente was die hij als broekventje kweekte? Of gewoon omdat je niet veel van de boerenstiel moet kennen om prei te kweken? Zoals zijn vader verkondigde aan iedereen die het horen wilde.

De prei die hij vandaag in zijn handen houdt is perfect: de pluizige worteltjes als verloren spinnenpoten, daarboven een witte stengel, twintig centimeter lang,  een duim dik – niet meer, niet minder – dan evenveel fris groene bladeren die uitwaaieren in laagjes als een petticoat. Zoals in de jaren vijftig mode was. Mooi om te zien, prikkelend om aan te raken als je de rokken laagje voor laagje verwijdert.

De grond waarin hij wroet, is niet van hem. Hij pacht zijn honderd vierkante meter – naast de altijd voortrazende rijksweg van de stad. Al heel lang. Van toen hij naar de stad trok om in de haven te werken. Daar was werk voor iedereen die wilde werken. En hij wilde werken, hoe meer hoe liever.

Zijn hofke is zijn vrijplaats. Zijn thuishaven toen hij pas de polders ontvlucht was, een beetje zand om het gemis te verzachten en een rustplaats om het hectische en lawaaierige gezin even achter zich te laten. Bovendien een stukje vruchtbare grond om de extra monden te voeden. Daarna een troost om het alsmaar legere nest te aanvaarden. Sinds zijn pensioen een nuttig tijdverdrijf waarbij hij zijn vrouw niet voor de voeten liep. En het nageslacht is maar wat blij met zijn ‘bio-producten’.

Vandaag is het een gedenkplaats nu hij een fractie van Moeder heeft vermengd onder de toch al vruchtbare grond van zijn stadstuintje. Eigenlijk mocht het niet van Meneer de Begrafenisondernemer: de as van zijn vrouw moest in een pot in de grond begraven of in een muur gemetseld of uitgestrooid worden op de strooiweide. Dat ze veel gelukkiger was in het stadstuintje van tien meter op tien meter dan op het uitgestrekte kerkhof, was volgens de ambtenaar van dienst geen reden om de regels te omzeilen. Ruzie maken had geen zin, dat wist hij wel, regels zijn er immers om nageleefd te worden. Maar toch had hij de kans gezien om een beetje van zijn vrouw zaliger in zijn zakdoek over te hevelen. Een paar dagen had hij met die volle zakdoek rondgelopen. Tot alle heisa voorbij was en hij naar zijn tuin kon. Hij  zocht een schoon plekje uit: daar waar de ochtendzon hem groette en de afrikaantjes welig tierden. En waar nu de prei volgroeid is.

Doorheen de jaren zijn de buren gekomen en gegaan. Eerst waren het allemaal mannen van den buiten die hun geluk in de stad en de haven kwamen zoeken maar toch met hun handen nog in de grond wilden wroeten omdat ze het gewoon waren. Daarna kwamen de mannen met volle snorren, hun vrouwen met een doekske op het hoofd en met een hele resem kinderen. Toen waren er die jonge gasten en meiskes met sandalen aan hun voeten en kameelharen jassen rond de schouders. Die hem vertelden dat hij geen vergif mocht spuiten, maar dat hij hemelbeestjes moest zoeken om de bladluizen uit zijn hof te verjagen. Alsof zij hem iets konden leren.

Nu zijn er weer nieuwe tuinders: van die schoon madammekes in bollekeskleedjes met diepe decolletés en bijpassende botten en schorten. Ze hebben hem al eens gevraagd of hij een glas wijn kwam drinken. Van die bubbeltjeswijn in hoge glazen. Maar hij bedankte. Hij vindt het toch maar niets, drinken in uwen hof. Achtereen drinkt ge overal en voor eender wat.

Hij trekt verder de jonge preistengels uit hun bedje en schikt ze in de rieten mand van Moeder. Als het stukje land leeg is, harkt hij de losgewoelde aarde aan, maakt de hark schoon met een versleten doek, vet ze in met een restje olie en zet het propere gereedschap in het tuinhuis met het dak van cementen golfplaat.

Hij bindt de mand met versleten fietsbanden op de bagagedrager aan zijn stuur. Hij werpt zijn oude been achterom – ongelooflijk hoe kwiek hij dat nog doet – en ploft met zijn achterwerk in blauwe kiel op het zadel van zijn vooroorlogse fiets. De meisjes met diepe decolletés, de mannen met snorren, de vrouwen met het doekske op hun hoofd en een resem kinderen wuiven hem na. Morgen staat hij er weer.

Bij het verlaten van de stadstuintjeswijk slaat hij de hoek om, huiswaarts. Zo’n kilometer verderop is de plaats waar al meer dan een halve eeuw zijn tafel en bed staat, waar zijn kinderen zijn opgegroeid, zijn vrouw is gestorven. Waar hij zich nooit thuis voelde.
Hij rijdt zijn straat in, de voorbijrazende auto’s achter zich latend. In zijn hoofd overschouwt hij de dag. Hij is Onze-Lieve-Heer dankbaar voor de oogst vandaag. De kinderen zullen er blij mee zijn als ze zondag binnenspringen.

Een paar meter voor zijn huis moet hij uitwijken voor een gehaaste auto. Zijn pedaal schampt langs de borduur. Hij wankelt, verliest het evenwicht, valt en botst met zijn hoofd op de kinderkopjes. Het gaat allemaal snel. Bloed op zijn slaap. Een zucht uit zijn mond. De jonge prei ligt verspreid rond zijn hoofd.

Bekend terrein

Bekend terrein c AR

Dialoog © AR

De zon wringt tussen een spleet in de gordijnen

een wakkere hand schuilt tussen mijn dijen

en brengt me meesterlijk eenvoudig naar het hier

en nu op het hoogtepunt

draaien ijverige handen me honderdtachtig graden

tien vingers tellen mijn rugknopen

een voor een zeventien keer

ze voelen duwen rekken en beroeren

geruisloos veranderen ze in zacht zoekende handen

centimeter na centimeter verkennen ze

elke plooi elke glooiing elke oneffenheid

ze laten het onderdons ruisen en het lijf gewillig kreunen.

Ontpopt

Vrouwenstudies © AR

Vrouwenstudies © AR

Er was eens een vrouw. Vroeger was ze een meisje.
Mannenogen scanden haar van onder tot boven, van achter naar voor: langs haar breekbare enkels, wulpse dijen, ronde billen omhoog over haar platte buik, ontluikende borsten, ranke hals, volle lippen tot haar uitdagende blik. Gulzig laafde ze zich aan hun gehunker. Onaantastbaar.

Het leven meanderde verder. Haar enkels zijn nu sterker. Dijen en buik pronken met eretekens voor het gegeven leven. Billen en borsten dagen de zwaartekracht uit. Lachrimpels versieren haar gestifte lippen en felle ogen. Haar blik nog even gulzig.
Het popje is een vlinder geworden. Maar het meisje zit nog in de vrouw.

Tête-à-tête

18 jaar geleden nodigde hij me uit voor een etentje bij hem thuis. Ik verwachtte me aan een romantische tête-à-tête. Het tegendeel was mijn deel. Ik werd aan het werk gezet: aardappelen schillen, knolselder (in zijn herinnering, prei in de mijne) snijden, afwassen…

Het bleek alsnog een leuke avond te worden. De gastheer was onderhoudend en grappig, hij toonde oprecht interesse in mijn ó-zo-interessante-jeugdwerkleven, het (West-Vlaamse) menu was simpel maar lekker, we bleken over vele zaken hetzelfde te denken (en over een paar andere zeer tegengestelde meningen te hebben) en tegen de ochtend aan bleek hij over een topsportlichaam te beschikken. Kortom er was geen reden om onze date niet te herhalen.

berlijnEn die duurt nog altijd voort. Niet altijd even vlot en happy als de eerste keer. Soms wil de ene wat meer peper en de ander wat meer zout in het gerecht. De rollen van chef en keukenhulpje wisselen geregeld en meestal niet op voorhand overlegd. Eens in de zoveel tijd staan er onaangekondigde gasten op de stoep, door de ene hartelijk binnengelaten en door de andere de deur gewezen.

Zoals een rivier meandert ons, nu toch al 18-jarig, afspraakje verder; in een winterse storm rotsen ontwijkend, tijdens een zwoele zomer heerlijk genietend van het kalme water. En elke dag staat er weer een nieuw gerecht op het gasfornuis te pruttelen. Vaak volgens een of ander kookboek. Soms met de restjes uit de koelkast. En zo nu en dan samengesteld met te ontdekken ingrediënten. Maar altijd met goesting om het resultaat te proeven.

Middenleeftijd

MiddenleeftijdZe zijn er! En ze blijven, vrees ik. Waarschijnlijk waren ze er al langer. Maar ik merkte ze niet op. Omdat ik het niet wilde? Omdat ze niet zó zichtbaar waren? Omdat ik ziende blind was? In ieder geval, vandaag zie ik ze klaar en duidelijk: rimpels. Van die kleine aan de zijkant van mijn ogen en rond mijn mond. Kleine maar onverbiddelijke blijvers.

Sommigen noemen het ‘kraaienpootjes’. Alsof zo’n zwarte fors gebouwde vogel deze nacht zijn afdrukken op mijn gezicht heeft achtergelaten. Waarom geen ‘mussenpootjes? Mussen zijn tenminste schattige aaibare wezentjes. Bovendien hebben ze kleinere pootjes. Anderen zeggen er ‘lachrimpels’ tegen. Waarschijnlijk omdat ze zich zonder genade tonen wanneer je plezier hebt in het leven. En ik lach zo graag. Hoe moet dat nu? Alleen met geluid lachen dan maar? Dat staat zo gek. Probeer maar eens te schaterlachen zonder een waaier aan streepjes rond je ogen en mond te krijgen. Als het je lukt heb je gegarandeerd een facelift ondergaan. Of ben je jonger dan veertig.

Ziezo, het hoge woord is eruit: veertig. Zeven letters. Of één vier en één nul. Meer cijfers heb je niet nodig om dit vervloekte getal te vormen. 40 betekent ‘bejaard’ als je 16 bent zoals mijn babysitter. Voor mijn grootmoeder van 92 is 40 dan weer een synoniem voor ‘piepjong’. Alleszins is 40 een scharnierleeftijd: te oud om nog een lidkaart van het plaatselijke jeugdhuis op zak te hebben, te jong om al een plaatsje in het rusthuis te reserveren. Een middenleeftijd ook: al een koffer vol levenservaring, maar met nog minstens zoveel jaar op de teller van het leven. Nog tijd genoeg dus om een heleboel te ontdekken en mee te maken. Dat hoop ik toch.

Ik heb al mijn twijfels, angsten, verzuchtingen en vragen – die de transformatie van het derde naar het vierde decennium vergezelden – bewust gedeletet: de moeilijke aanloop, de hectische overgang en de uiteindelijke berusting in mijn veertigste verjaardag.

Nu heb ik tenminste terug plaats op mijn harde schijf voor het tweede deel van mijn leven. Laat het feest beginnen!